Beleidsmakers bepalen wat lobbymachines vermogen, en niemand anders

Volgens professor Ive Marx is België een lobbycratie, maar die metafoor klopt niet. Al is het streven om de beïnvloeding van het beleid uit de schemerzone te halen terecht.


Er loopt iets grondig verkeerd in de relatie tussen de overheid en haar stakeholders, stelt de Antwerpse socio-econoom Ive Marx. Ons land zou een lobbycratie zijn waarin beleidsbeslissingen op een dienblad worden aangereikt door schimmige clubs die stuntelende en improviserende politici als marionetten behandelen. Het is een populaire en daarom hardnekkige metafoor. Wolvenroedels van maatpakken kloppen grijnzend aan bij ministers die vervolgens trillend en peentjes zwetend in elkaar krimpen. Er is geen verhaal, want de wil van de lobby is wet.

Het is een gerechtvaardigd verlangen dat beleidsbeïnvloeding volledig uit de schemerzone moet. Het transparantieregister dat de federale Kamer hanteert, vormt dan ook een goed begin. Het charter dat de leden van de lobbyistenvereniging BEPACT onderschrijven, draagt bij aan de cultuur van openheid rond belangenbehartiging. Ondertussen reiken de zoeklichten van allerlei media verder dan ooit. Maar dat het concept lobbyen negatief verantwoordelijk zou zijn voor de daden van beleidsmakers is een denkfout.

Het is in dit verband nuttig om eerst na te gaan wat beleidsmakers uitdrukkelijk in beweging brengt. In essentie gaat het om drie dingen, in willekeurige volgorde: werkgelegenheid, begroting en politieke relevantie. Het spreekt voor zich dat belangen verdedigd door bedrijven die in ons land vele honderden of duizenden jobs vertegenwoordigen aandachtig beluisterd worden. Eveneens is het duidelijk dat projecten of beleidsvoorstellen die positieve netto-effecten aan de begroting opleveren meer enthousiasme onder politici teweegbrengen dan per saldo kostenverhogende maatregelen. Ten slotte is elke minister en parlementslid door een politieke partij naar voren geschoven en vervolgens verkozen door een achterban, die voor alle volksvertegenwoordigers samen de afspiegeling vormt van het algemeen belang. De derde reflex in het rijtje is dus een maatschappelijke.

Al wie overtuigend kan aantonen dat zijn dossier deze drie onderling samenhangende factoren gunstig beïnvloedt, zal zijn belang zien stijgen op de politieke agenda. Natuurlijk, voor elk dossier zullen zich meerdere voor- en tegenstanders aandienen, al dan niet in allianties, die allicht ook onder elkaar nog van mening zullen verschillen. Daarom moeten de betrokken beleidsmakers, alvorens een beslissing te nemen, een afweging maken van de verschillende belangen die op het spel staan, zoekend naar politieke legitimiteit. Want het is geen eenvoudige optelsom, die finaal tot een score leidt. Was het zo eenvoudig, dan konden we het parlement robotiseren en vervolgens een artificieel intelligente regering in de cloud onderbrengen.

De mate waarin een lobbycampagne succesvol inspeelt op jobs, kostprijs en samenleving, wordt fundamenteel bepaald door de elementen van het dossier en de kundigheid waarmee ze zijn vormgegeven, de politiek-maatschappelijke aard van de belanghebbenden en ten slotte zowel de bekwaamheid, de correctheid als de politieke wil van de betrokken beleidsmakers om een haalbare synthese te maken van alle belangen in het spel. Daarom is vandaag de lobbyopdracht van pakweg de Vlaamse Jeugdraad veel zwaarder dan die van een groot productiebedrijf, ten noorden of ten zuiden van de taalgrens. Een stropdas en een dure wagen kunnen die constellatie niet wezenlijk van aard veranderen. Het is geen geheim dat mensen uit de privé en hun medespelers van overheidskant het niet spontaan goed met elkaar kunnen vinden. Dat ongemakkelijke gevoel niet tot eenzelfde maagschap te behoren is bijna intuïtief. Geen wonder, want ze spelen een fundamenteel verschillend spel. De ene draait uiteindelijk op winst en de andere zoekt voortdurend naar legitimiteit, in deze crisis des te meer. Daarom is onderbouwde belangenbehartiging noodzakelijk om maatschappelijke vooruitgang te boeken. Geef de bedrijven dan toch niet de schuld dat zij het terrein oplopen terwijl in de kleedkamers het andere team ijsberend de tactiek bespreekt.


Opinion piece by Karel Joos, Partner at Interel Belgium, for De Tijd, Tuesday 12 May 2020.